Het wereldwijde magazine en verkoopplatform voor liefhebbers van klassieke auto’s, door liefhebbers.
Het wereldwijde magazine en verkoopplatform voor liefhebbers van klassieke auto’s, door liefhebbers.
Er zijn auto’s waarbij je op het eerste gezicht weet wat je eraan hebt. En er zijn auto’s die eerst enige uitleg nodig hebben. De ALPHI T10 Grand Prix behoort nadrukkelijk tot die laatste categorie.
Alleen al de naam roept vragen op. ALPHI? Zelfs onder liefhebbers van vooroorlogse auto’s zal niet iedereen hem direct kunnen plaatsen. Dat is niet zo vreemd. Het merk bestond slechts enkele jaren en er werden naar verluidt niet meer dan vier auto’s gebouwd. A.L.P.H.I. stond voor Automobiles du Luart, Poniatowski, Hougardy, Ingénieurs, een kleine Parijse onderneming van drie mannen die eind jaren twintig iets bijzonder ambitieus voor ogen had: exclusieve, technisch vooruitstrevende automobielen bouwen voor een clientèle die niet op een franc meer of minder keek.
Dat het merk zo snel weer van het toneel verdween, had bovendien alles met timing te maken. ALPHI wilde geen auto’s in serie bouwen, maar exclusieve automobielen op maat voor de allerrijksten – technisch bijzondere auto’s waarbij de kostprijs nauwelijks een rol leek te spelen. Het was een ambitieus concept, maar de beurskrach van New York in oktober 1929 en de daaropvolgende wereldwijde financiële crisis kwamen op het slechtst denkbare moment. De markt voor dergelijke extreem kostbare maatwerkauto’s droogde vrijwel volledig op en voor een kleine constructeur als ALPHI bleek er nauwelijks nog een levensvatbare toekomst.
Juist tegen die achtergrond wordt de T10 Grand Prix nog interessanter. Van ALPHI werden slechts enkele automobielen gebouwd en de T10 neemt daarbinnen als Grand Prix-project een uitzonderlijke plaats in: een bijzonder lage, technisch eigenzinnige 1,5-liter zescilinder met Cozette-compressor, ontwikkeld om het op te nemen tegen onder meer de Delage 1500. De auto werd ingeschreven voor de Grand Prix de l’ACF van 1929, maar raakte niet tijdig gereed en kwam daardoor nooit aan de start.
Dat is misschien wel het grootste ‘what if’ in het verhaal van ALPHI. Serge Pozzoli schreef later dat de auto in zijn oorspronkelijke vorm relatief zwaar was voor het beschikbare motorvermogen, maar het basisconcept was bijzonder vooruitstrevend. Met verdere ontwikkeling, gewichtsbesparing en technische verfijning had de T10 aanzienlijk meer potentieel kunnen ontsluiten. Alleen kreeg ALPHI daarvoor de tijd niet meer: de economische crisis maakte een einde aan het merk voordat zijn Grand Prix-project werkelijk de kans kreeg zich verder te bewijzen.
Eén van die auto’s staat momenteel op PreWarCar.com te koop, dus was het tijd om er nader naar te kijken.
De T10 Grand Prix werd gebouwd met het oog op de Grand Prix de l’ACF van 1929, die dat jaar op Le Mans werd verreden. Onder de lange motorkap ligt een 1.485 cc zescilinder van CIME, gevoed door een grote Cozette-compressor. Édouard Brisson stond met de ALPHI-CIME daadwerkelijk op de inschrijflijst voor de Franse Grand Prix, maar de auto verscheen uiteindelijk niet aan de start.
Dat betekent bepaald niet dat er weinig over te vertellen valt.
Integendeel. Kijk alleen al naar de constructie. De voorste bladveren liggen grotendeels ín het chassis in plaats van er simpelweg onder te hangen. Daardoor kon de hele auto uitzonderlijk laag worden gebouwd. Wanneer je ernaast staat, valt pas echt op hóé laag. Het is duidelijk dat de makers vooral nadachten over zwaartepunt, wegligging en luchtweerstand.
En dan zijn er de details. De mechanische remmen bijvoorbeeld, met een prachtig stelsel van hevels en stangen dat eigenlijk te mooi is om te verstoppen. De achterlichten, de uitlaat en allerlei kleine art-deco-elementen maken het geheel af. De dubbele uitlaat loopt rechts langs de carrosserie en zorgt voor een soundtrack die een grote glimlach oproept. Vooral wanneer je vol gas geeft en vervolgens het gaspedaal loslaat, hoor je de compressor goed.
Maar misschien is de geschiedenis van deze ALPHI nog mooier dan zijn techniek. Eén van de vorige eigenaren was de excentrieke Serge Pozzoli.
Pozzoli was niet zomaar een Franse verzamelaar. Geboren in Parijs in 1915, raakte hij al vroeg gefascineerd door autosport en historische automobielen. Hij reed zelf wedstrijden, verzamelde oude auto’s in een periode waarin dat nog bepaald geen vanzelfsprekende bezigheid was en bouwde uiteindelijk een indrukwekkende collectie op in zijn Musée du Gérier in Normandië. Daarnaast stond hij aan de wieg van verschillende organisaties rond automobielhistorie, organiseerde hij vanaf de jaren zestig de beroemde Coupes de l’Âge d’Or en richtte hij in 1966 L’Album du Fanatique de l’Automobile op. Daarmee werd hij een van de pioniers van de Franse historische-autowereld.
En uit al die auto’s had hij een bijzondere zwak voor juist deze ALPHI.
Het verhaal gaat dat Pozzoli hem in 1931 voor het eerst zag, toen de auto te koop stond bij de Porte de Vincennes in Parijs. Hij wilde hem hebben, maar kon hem niet betalen. In 1947 dook de ALPHI opnieuw op. Opnieuw ging de auto aan zijn neus voorbij. Je zou denken dat een mens het dan na zestien jaar wel opgeeft. Pozzoli niet.
In 1961 kreeg hij bericht dat de ALPHI in een garage in Saint-Brieuc stond. Ditmaal lukte het wel. Dertig jaar nadat hij de auto voor het eerst had gezien, kon hij hem eindelijk kopen. Hij maakte hem weer rijdend en nam hem op in zijn collectie in het Musée du Gérier. Daar bleef de ALPHI tot Pozzoli’s dood in 1992 een van zijn favoriete auto’s. De band was zelfs zo sterk dat de T10 op de omslag van het allereerste nummer van L’Album du Fanatique de l’Automobile verscheen.
Drie mannen hadden ooit de droom om een uitzonderlijke Franse auto te bouwen. Pozzoli droomde er vervolgens dertig jaar van om hem te bezitten. En vele decennia later hebben twee Belgische liefhebbers ervoor gezorgd dat hij opnieuw kan doen waarvoor hij ooit gebouwd werd: rijden.
Want toen de ALPHI enkele jaren geleden uit een langdurig museumverblijf kwam, was dat niet vanzelfsprekend. De motor liep niet, de remmen zaten vast en de koppeling lag uit elkaar. Er volgde een technische restauratie die bijna drie jaar duurde. De CIME-zescilinder en Cozette-compressor werden aangepakt, er kwam een nieuwe, op maat gemaakte koppeling en vooral de techniek werd weer geschikt gemaakt voor serieus gebruik.
Dat brengt ons bij het leukste gedeelte: zelf achter het stuur kruipen.
Instappen betekent jezelf tussen stuur, stoel en carrosserie vouwen. Eenmaal binnen is er verrassend veel ruimte. Zelfs met mijn 1,90 meter en forse postuur vind ik een behoorlijke zitpositie, mede dankzij het verstelbare stuur, al vraagt de hele bediening om enige gewenning.
De koppeling is zwaar. De versnellingsbak eveneens. Bij mijn eerste poging gaat het dan ook niet helemaal volgens plan: versnelling in zijn één, koppeling op laten komen en… motor uit.
Nog een keer.
Nu iets meer gas, voelen waar de koppeling aangrijpt en ineens zijn we onderweg.
Vanaf dat moment verandert de auto volledig van karakter. Wat stilstaand een fascinerend museumstuk lijkt, voelt rijdend opvallend levendig en tegelijkertijd veilig. De besturing is direct en toch verrassend gemakkelijk. De ALPHI stuurt strak, zonder het logge gevoel dat je bij sommige grote vooroorlogse auto’s krijgt.
Dan het gas erop.
De kleine CIME-zescilinder klimt gretig in de toeren en zodra de Cozette-compressor zich ermee gaat bemoeien, komt er serieus leven in de brouwerij. Midden op het dashboard schiet de grote Jaeger-toerenteller naar 3.500 rpm en dan trekt het landschap ineens een stuk sneller voorbij. Wind in het gezicht, de lange motorkap voor je en links dat prachtige geluid uit de dubbele uitlaat.
Je begint te begrijpen wat de ontwerpers in 1929 voor ogen hadden.
Ook de remmen verdienen aandacht. Volledig mechanisch, uiteraard, maar met hun uitgebreide hevelsysteem voelen ze aanzienlijk overtuigender dan je op basis van hun leeftijd zou verwachten. Het is functionele kunst.
En misschien is dat wel het mooiste aan deze ALPHI. Hij is geen Grand Prix-winnaar met een palmares dat pagina’s vult. Hij heeft Monaco niet gewonnen, Le Mans niet gewonnen en is in de Franse Grand Prix waarvoor hij werd gebouwd zelfs nooit gestart. Maar bijna honderd jaar later maakt dat niet meer uit. Het gevoel dat hij geeft, is nu van belang.
Het is het verhaal van een piepkleine Parijse constructeur die het tegen de gevestigde orde wilde opnemen. Van een technisch vooruitstrevende auto die zijn grote kans miste. En van Serge Pozzoli, die hem in 1931 zag, hem niet kon betalen en uiteindelijk dertig jaar moest wachten voordat hij hem eindelijk kon kopen.
En nu kun je achter datzelfde stuur plaatsnemen, de zware koppeling intrappen, de zescilinder wakker maken en zelf ontdekken waarom Pozzoli hem al die jaren niet uit zijn hoofd kreeg.
Dat is misschien precies wat de ALPHI T10 vandaag zo aantrekkelijk maakt. Zijn zeldzaamheid, zijn bijzondere techniek en zijn geschiedenis, maar vooral dat je dit vrijwel verdwenen hoofdstuk uit de Franse automobielgeschiedenis nog altijd achter het stuur kunt ervaren.
Wilt u deze bijzondere ALPHI bekijken of aan uw collectie toevoegen? Hij staat van 22 tot 25 oktober 2026 op de stand van PreWarCar.com tijdens Auto e Moto d’Epoca in Bologna.
De advertentie vindt u hier.
Auto e Moto d’Epoca vindt plaats van 22 tot en met 25 oktober 2026 in BolognaFiere, Italië. Tickets zijn hier te bestellen.
Text: Laurens Klein, Foto's: Morris Klein-Laarman