Het wereldwijde magazine en verkoopplatform voor liefhebbers van klassieke auto’s, door liefhebbers.
Het wereldwijde magazine en verkoopplatform voor liefhebbers van klassieke auto’s, door liefhebbers.
Een actrice in Parijs bestelt in 1901 een nieuwe Panhard et Levassor. Ze woont aan de Avenue Friedland, naast René de Knyff, de bebaarde autocoureur en directeur van het merk. Wat hun daadwerkelijke relatie was laten we over aan uw fantasie. Maar Mademoiselle Thorcy had duidelijk gevoel voor stijl. Haar bestelling resulteerde in een automobiel waarin zij comfortabel kon plaatsnemen, terwijl haar chauffeur buiten op de bok het werk deed.
Ruim 125 jaar later staan we tegenover haar auto. En tegenover een tijdgenoot die hetzelfde embleem draagt, maar een heel andere invulling geeft aan het begrip autorijden.
Beide Panhards worden tijdens de komende Golden Age of Motoring-veiling aangeboden. Beide zijn door de Veteran Car Club als 1901 gedateerd. Reden genoeg om ze eens van dichtbij te bekijken. Want wie denkt dat twee auto’s van hetzelfde merk en bouwjaar ongeveer dezelfde ervaring bieden, moet hier even komen kijken.
Zodra de loodsdeur opengaat, trekt de viercilinder alle aandacht. Zijn Hansom Cab-achtige carrosserie, toegeschreven aan Kellner, verheft zich boven het chassis als een kleine Parijse salon. De chauffeur zit helemaal vooraan, hoog en buiten het beschutte passagierscompartiment. Daarachter wacht een wereld van gecapitonneerde bekleding, neerlaatbare zijramen, een spiegeltje en zelfs een bagagenet voor een paraplu of parasol.
Ik neem achterin plaats. Het leren schootzeil sluit de ruimte boven de benen af; met de ruiten gesloten kun je je hier behoorlijk van de buitenwereld afzonderen. Toch voel je je bekeken. Met zo’n verschijning ben je immers overal het middelpunt van de belangstelling. Voor een actrice wellicht een prettige combinatie: beschut zitten en toch gezien worden.
Voor de chauffeur is de ervaring heel anders. Die zit werkelijk op de bok. Het koetsverleden is hier nog tastbaar, ook in de volledig elliptische achterveren en de enorme achterbanden in de maat 1.000 × 65.
Maar vergis je niet: onder deze deftige verschijning schuilt een verrassend vlotte auto.
De 2,4-liter viercilinder trekt stevig door en heeft ook op hellingen overtuigingskracht. Een tempo van zo’n 40 tot 50 km/u blijkt goed bij zijn karakter te passen. Het meest opmerkelijke is de elektromagnetische transmissie, ontwikkeld door Arthur Krebs. Met de ring onder het stuur kiest de chauffeur de gewenste versnelling; elektromagneten verzorgen vervolgens de koppeling van de betreffende overbrenging. Het resultaat is een voor een auto uit 1901 verbluffend soepele en stille bediening. De eigenaar vertelt dat hij bij het schakelen nog nooit een kraak heeft gehoord.
Daar staat de tweecilinder tegenover. Lager, opener en uitgevoerd in diep Brewster Green met zwarte biezen. Waar de viercilinder onmiddellijk vragen oproept over zijn carrosserie, nodigt deze Type A2 vooral uit tot iets eenvoudigers: instappen en wegrijden.
Zijn 1.648 cc Daimler-Phénix-tweecilinder levert 7 pk, overgebracht via een handgeschakelde drieversnellingsbak en kettingen naar de achterwielen. Hier zit je op een echte zitbank, dichter bij de auto en zijn bewegingen. Het verschil met de verheven chauffeurspositie van de Hansom Cab is groot. In de A2 wil je zelf aan het stuur zitten.
Mijn oog blijft wel hangen aan de hoekige motorkap. Die lijkt niet helemaal bij de rest te passen. Dat blijkt een terechte observatie, maar juist deze afwijking vertelt iets over de geschiedenis van de auto. Op beelden uit 1937 is de gewijzigde kap al te zien. Tijdens de restauratie is bewust besloten haar te behouden. Die afweging past bij de zorg waarmee de tweecilinder is onderzocht en gerestaureerd. De fabrieksadministratie vermeldt zijn bouwdatum als 25 oktober 1901. Latere sporen voeren langs Franse eigenaren, veteranenritten vóór en na de oorlog, de collectie van Mercedes-Benz en vervolgens de Louwman Collection voordat hij in Duitsland terecht kwam. De achterzijde van de carrosserie, ooit gewijzigd, is tijdens de restauratie teruggebracht naar de oorspronkelijke rear-entrance tonneau-uitvoering.
Het resultaat is een auto die uitnodigt tot gebruik, zonder alle sporen van zijn lange leven te hebben uitgewist.
Op de weg liggen de prestaties van beide Panhards verrassend dicht bij elkaar. De viercilinder heeft meer inhoud, maar moet ook ongeveer 900 kilogram voortbewegen. De lichtere tweecilinder houdt goed partij. De keuze tussen deze twee wordt daardoor vooral een kwestie van karakter.
De Hansom Cab zou met zijn bijzondere silhouet zelfs stilstaand een ruimte kunnen beheersen. Toch zou het jammer zijn hem uitsluitend als kunstobject te behandelen: juist zijn ongebruikelijke bediening en levendige prestaties maken hem interessant. De A2 hoeft minder uit te leggen. Zijn aantrekkingskracht wordt duidelijk zodra je achter het stuur zit.
Met London to Brighton in het vooruitzicht dringt zich een andere vergelijking op. De tweecilinder heeft veel van wat je voor die rit kunt wensen: een vroege datering, plaats voor vier en een constructie die uitnodigt om zelf te rijden. De viercilinder biedt zijn passagiers iets wat op een novemberochtend misschien nog verleidelijker is: beschutting.
Misschien is de A2 wel de ultieme London to Brighton-auto. En de Hansom Cab de ultieme auto voor november.
Al hangt dat laatste er natuurlijk sterk van af wie er op de bok moet zitten.
Tekst: Laurens Klein
Fotos: Mate Boer